Skip to main content

WILLEM IV Karel Hendrik Friso
prins van Oranje

WILLEM IV Karel Hendrik Friso prins van Oranje (1702 / 1732), vorst van Nassau
Zoon van * Johan Willem Friso en * Maria Louise van Hessen-Kassel Leeuwarden 1 september 1711 – ‘s-Gravenhage, Huis ten Bosch 22 oktober 1751
Trouwt Londen 25 maart 1734 * Anna van Hannover

De postuum geboren Willem erft het stadhouderschap van Friesland en het bewind over het Duitse Nassaubezit. Zijn aanspraken op de erfenis van * Willem III zijn echter hoogst onzeker, zowel wat betreft de materiële kant als de opvolging in diens functies (zie * Johan Willem Friso). Van zijn soms al te bezorgde moeder krijgt de ziekelijke prins een gedegen opvoeding. Aan een ongelukkige val op 5-jarige leeftijd houdt hij een bochel over die slechts met lange pruik en wijde kleding kan worden gecamoufleerd. Hij studeert te Franeker (1726) en Utrecht (1727) onder meer recht, economie en talen en ontwikkelt zich tot een aimabele, hoffelijke en belangstellende jongeman met goede contactuele eigenschappen. In 1718 wordt hij stadhouder van Groningen, in 1720 van Drenthe en Gelderland. Zijn moeder oefent tot 1731 het regentschap uit. Het volgend jaar wordt eindelijk tussen Willem en koning Frederik Willem I van Pruisen de successiekwestie geregeld met een Traktaat van Partage. Nassau berust in de afstand van zijn soevereine rechten op het Prinsdom Oranje ten behoeve van de koning van FrankrijkBde koning van Pruisen heeft dit reeds in 1713 gedaan. Beide vorsten behouden het recht de titel Prins van Oranje te dragen. Daardoor voeren thans zowel prins Willem-Alexander als de chef de famille van het huis Hohenzollern deze titel. Voorts houdt Pruisen de Oranjebezittingen buiten de Republiek alsmede onder meer de paleizen Noordeinde en Honselersdijk. Willems deel ligt voornamelijk binnen de Nederlanden.

In 1734 huwt de prins van Oranje de Engelse koningsdochter Anna. De regenten werken deze verbintenis enige tijd tegen vanwege hun vrees voor Engelse steun aan Oranjes streven naar het stadhouderschap en het teloorgaan van hun stelsel van de `ware vrijheid’. Het stadhouderlijk hof te Leeuwarden wordt voor het jonge paar verbouwd en uitgebreid met een danszaal, hofapotheek en badkamer. Door het kort na elkaar uitsterven van vrijwel alle andere takken van de Ottoonse Nassaulinie kan Willem zijn Duitse bezittingen flink uitbreiden. Als niet-onbelangrijk Duts rijksvorst overweegt hij rond 1740 in Duitsland te gaan wonen, mede gezien het gebrek aan mogelijkheden in de Republiek waar hem zelfs geen Raad van State-lidmaatschap of kapitein-generaalschap wordt gegund, traditionele functies van de Oranjes. In de jaren dertig van de 18de eeuw doet hij enkele malen een beroep op zijn Engelse verwanten, met name op zijn schoonmoeder koningin Caroline, om hulp voor zijn promotie. In zijn brieven klaagt hij over `mes malheurs dans mon avancement militaire’. Algemeen heerst echter de mening dat Willem heeft `gene kennis van het métier… en de zugt ten oorloge hem luttel bezeten (schijnt) te hebben’. In het kader van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) vallen in 1747 de Fransen Staats-Vlaanderen binnen.

In de hierop volgende troebelen in de Republiek zien de prinsgezinden hun kans. Na een volksbeweging wordt Willem eerst in Zeeland, vervolgens in de gehele Republiek tot stadhouder en kapitein-generaal uitgeroepen; in december 1747 wordt het stadhouderschap zelfs erfelijk verklaard. Van Oranje die een grotere macht heeft dan wie ook van zijn voorgangers, verwacht men dat hij wijdverbreide misbruiken als belastingverpachting en ambtenverkoop zal afschaffen en de gebrekkige staatsregeling van de Unie structureel hervormen. Willem IV doet evenwel niets van dit alles. Hij heeft de beste bedoelingen, doch mist een zelfstandig oordeel en het daarbij behorende doorzettingsvermogen. Zo laveert en schippert de stadhouder, ieder te vriend houdend. Volgens tijdgenoten is hij `schrikkelijk bagatellier, en hielt altoos de menschen op met spreukjes en badinages… Hij scheen geensints bequaem tot soo groote post.’ Met gebruikmaking van de bestaande structuren meent de hardwerkende prins het best te kunnenregeren tot radicale vernieuwingen komt hij niet. Aldus bereikt hij bij het Doeistenoproer van 1748 te Amsterdam niet veel meer dan een verzetten van de wet: het vervangen van enkele der meest gehate regenten door meer prinsgezinde. Velen tonen zich teleurgesteld in de tekortschietende stadhouder en keren Oranje de rug toe. In de zomer van 1751 gaat de prins wegens zijn slechte gezondheid kuren in Spa. Na terugkeer wordt hij ziek en overlijdt na enkele dagen.

BRONNEN
Over Willem IV zijn in de geest van zijn tijd grote aantallen pamfletten, poëtische uitspanningen, troostreden, vreugdejuichingen en lofdichten verschenen, waarvan hier uit curiositeit iets volgt (alle in het Koninklijk Huisarchief).
– Vreugdeklanken op de gewenschte verkiezinge van Zyne Doorluchtige Hoogheid den Heer Willem Carel Henrik Friso in den Jaare 1747. Amsterdam 1747. Uit deze bundel gedichten onder meer de volgende regels:
[…] ’t Aêmegtig Nederlant met roufloers overhangen verwachtende zyn val met natbekreeten wangen beurt eind’lyk ’t hooft eens op, nu Gods almagte hant de dobberende hulk, door FRISO, de echte plant van Nassausch eed’len stam, voorzichtig laet bestuuren…
– Dichtkundige cypressenbladen gestrooit by het afsterven van Zyne Hoogheid. Amsterdam 1752.
– Voorts verschenen talrijke leerreden van predikanten met bijbelse vergelijkingen.

LITERATUUR
– H. Brugmans: `De voorrang bij de begrafenis van Willem IV’, in: Die Haghe (1900), p. 247-270.
– P.R. de Clercq: `Het kabinet van wetenschappelijke instrumenten en modellen van stadhouders Willem IV en v’, in: VONM (1992), p. 55-98.
– A.J.C.M. Gabriëls, ‘”De tirannij van zekere oogen”. Prins Willem IV en de vrijage van jonker Jan van Borssele, Representant van de Eerste Edele in Zeeland, in: VONM (1997), p. 97-132.
– P. Geyl: Willem IV en Engeland tot 1748. ‘s-Gravenhage 1924.
– Idem: Revolutiedagen te Amsterdam; Prins Willem IV en de Doelistenbeweging. ‘s-Gravenhage 1936.
– Idem: `Engelsche correspondentie van prins Willem IV en prinses Anna 1734-1743′, in: BMHG, 45, p. 89-140.
– F. Grijzenhout: `Beeldvorming en verwachting. Feest-decoraties bij de inhuldiging van Willem IV tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht in 1747′, in: Leids Kunsthistorisch Jaarboek (1985), p. 111-125.
– J. Haverkamp: Het leven van prins Willem de Vierde. Amsterdam z.j. (ca. 1755).
– J.E. Heeres: `Stad en Lande tijdens het erfstadhouderschap van Willem IV’, in: BVGO, 3, IV (1888), p. 252-344.
– J.J. Huizinga (red.): Van Leeuwarden naar Den Haag. Rond de verplaatsing van het stadhouderlijk hof in 1747. Franeker 1997.
– H.J. Pletz-Krehahn: `Der Geschäftsgang bei der Regierung des Fürstentums Oranien-Nassau’, in: Heimatjahrbuch für das Land an der Dill (1988), p.50-56.
– Idem: `Die Errichtung der Landesbehörden für Oranien-Nassau’, in: ibidem (1989), p. 217-226.
– G.J. Schutte: Oranje in de 18de eeuw. Amsterdam 1999.
– F.C. Spits: `Een militaire iconografie van prins Willem IV’, in: Armamentaria, 6 (1971), p. 79-89.
– S. van Tuinen: In prins wurdt studint. It ynheljen fan Prins W.K.H. Friso as studint te Frentsjer yn 1726. Ljouwert (Leeuwarden) 1986.